14/10/2016
BOKSEN
’s Avonds om kwart voor tien zie ik dat mijn telefoon oplicht: een a.i. organisatieadviseur. Hij heeft mij bij een organisatie binnengeloodst om kennis te maken met het managementteam waarbinnen hij HR manager is. De kennismaking vond 2 dagen geleden plaats en de feedback was heel goed.
Ik twijfel. Opnemen? In een flits denk ik dat ik iets verkeerds heb gedaan in zijn ogen. Ik neem op en start met een grap over het late tijdstip. Hij pareert onmiddellijk met: "Ik ben een ondernemer en commercieel en je hoeft niet op te nemen." Een kleine linkse directe. Ik houd me in. Mijn neiging om terug te tikken, onderdruk ik.
"Hoe vond je het zelf gaan?"vraagt hij. Die vraag roept meteen de associatie op met spelen voor eigen publiek op de toneelacademie. Als je die vraag kreeg, was de boodschap: Je hebt slecht gespeeld. Jouw performance was de moeite van het kijken niet waard. Er zat veel onvermelde kritiek onder die vraag.
Ik antwoordde met een samenvatting van het positieve commentaar van zijn collega’s na afloop. Ik gaf aan tevreden te zijn. "Ja, mijn collega’s zien je de klus wel doen." Wat leuk: hij belde zo laat om mij mee te delen dat ze ook zonder mijn aanwezigheid gemeld hadden tevreden te zijn en dat ik een opdracht ging uitvoeren.
En toch bleef ik met intuïtieve ongerustheid in dat gesprek. De a.i. zat in zijn auto op weg naar huis, een flinke rit dagelijks van 1,5 uur. Och, gewoon lekker behoefte aan een gesprek om de rit te doden.
Na wat over en weer non-informatie, kwam onverwacht een venijnig uithaaltje. In het gesprek met zijn collega's had ik een eerdere opmerking van hem ter discussie gesteld. Die kwam nu terloops op de proppen. Dat moest ik toch eigenlijk niet doen. Ik ging tegen een afspraak in die hij met mij had gemaakt. Au! Een linkse directe. Ik pareerde met een flinke stoot op het lichaam. Voor mij was dat geen afspraak maar zijn visie. In mijn uitgebreide verdediging hoorde ik uiteindelijk mezelf hijgen! Ik verplaatste gebakken lucht. Over en weer vermoeid, pakten wij elkaar vast en bleven een beetje tegen mekaar aanhangen. Ik voelde me een bokser die op eieren liep. Het gevechtje liep ten einde. Er volgden nog wat tikjes over mijn grappige introductie, die zo typisch voor mij was. Hij moest er altijd om glimlachen. Ook was het goed dat ik mezelf was gebleven, want men had echt behoefte aan een apart iemand, die niet bij de club paste.
Die laatste klappen waren wat plagerige stoten die kritiek verhullen door ze te verpakken in humor. De laatste opmerking was: Ernst, je moet het me niet kwalijk nemen en je niet beledigd voelen, maar die stropdas kon echt niet hahahaha. Dat hoeft niet in deze organisatie. De finale klap en weer ging ik in de verdediging, vertellend dat ik die das had gekocht voor het huwelijk van mijn zoon en dat ie anders toch maar in de kast hing en bla bla bla. Mijn tegenstander kreeg medelijden, wetend dat ie me gevloerd had: Oh, die das staat je wel goed hoor.
Vermoeid en onbevredigd legde ik de telefoon neer. Wat was nou eigenlijk de boodschap? Waarom belt iemand zo laat? Was hij gekrenkt? Kan ik niet tegen kritiek? Had hij op dat punt gelijk? Is dat slechts zijn mening of ook die van de groep? Waarom kan ik niet tegen zijn toon? Ik was knock-out.
Het was over en weer zenden geweest. Enkel debat. Debat in organisaties leidt to iets nuttiggs, in openheid en met steekhoudende argumenten. Het is dan goed dat we van elkaar weten waar we staan. Dat vereist een goede relatie en openheid. Als het debat leidt tot frictie, zeker in transformatieprocessen, is het zaak over te stappen naar de dialoog. Zelf merkte ik weer eens op hoe moeilijk dat is, als er ook emotie in het spel is. Als de transformatie om jou gaat. Je valt dan gemakkelijk in de valkuil van het elkaar overtuigen , zonder resultaat. Ik hoop dat veel organisaties de dialoog zoeken of blijven zoeken in hun transformatieprocessen. In debat blijven is de dood in de pot. Heb een goed weekend! Groeten van Ernst