22/05/2026
Interview Mark van der Want
Door Peter van Druten
‘Als je naar de samenleving van vandaag de dag kijkt, mag je trots zijn op de saamhorigheid bij boksvereniging Schildkamp’
Mooie bewegingen, niet hoeven rennen en je vuisten het werk laten doen. Dat waren de ingrediënten voor een sport die pasten bij Mark van der Want, dacht hijzelf. Hij was een jaar of vijftien en vond boksen een mooie, fascinerende sport. Maar zijn vader deelde dat enthousiasme niet. Tegenover de pluspunten die Mark in gedachten had, plaatste zijn vader blauwe ogen, een boksersneus en hersenletsel. Al bij de eerste les zou Mark volgens hem hard worden aangepakt. Vader Van der Want sprak zijn veto uit en Mark had zich er op die leeftijd maar bij neer te leggen. Een vriend van zijn broer deed in die tijd aan kickboksen en later aan gewoon boksen. Als die vriend dan wat stoeide met zijn broer, zag Mark weer die mooie bewegingen. Die bevestigden zijn animo voor het boksen, maar hij moest nog een paar jaar geduld hebben.
Na zijn opleiding Laboratoriumschool MLO ging Mark werken bij de AVR in Rozenburg. Vanuit het Noord-Hollandse Grootebroek, gelegen naast het bekendere Lutjebroek, verhuisde hij naar de plaats waar hij werkte. En alsof het zo moest zijn raakte hij bevriend met een collega die al een aantal jaar bokste bij Schildkamp. ‘Die stelde me voor om een keer mee te gaan.’ Mark gniffelt bij het ophalen van de herinnering. ‘De ideeën van mijn vader over bokslessen werden gelijk ontkracht. Die eerste training was hartstikke leuk. Maar ook hartstikke zwaar! Ik hoefde dan wel niet te rennen, maar ik moest wel constant bewegen. Boksen deed je toch met je hele lichaam en de training was intensief. Een prettige bijkomstigheid was dat ik sociale contacten opdeed. Want toen ik net vanuit Noord-Holland naar Rozenburg was verhuisd, had ik nog geen vrienden. Mede door de boksschool kon ik hier in de omgeving aarden.’
Vijfendertig jaar lid
Die intensiteit van de training weerhield Mark er niet van om terug te komen bij de boksschool. De voldoening won het van de vermoeiende inspanning. In Marks woorden: ‘De training is heerlijk, na afloop voel je je altijd als herboren.’ En inmiddels volgde op die eerste les vijfendertig jaar lidmaatschap.
Nog altijd heeft hij geen boksersneus. ‘Dat heeft uiteraard te maken met de manier waarop ome Jan altijd lesgegeven heeft. In de tijd dat ik begon had je wedstrijdjongens en recreanten. En vaak liet ome Jan me boksen tegen jongens die beter waren dan ik. Mike, Milton, Errol, René, Jörgen, Erik, Karel… Soms ook wel tegen een van de broertjes Dias. Van al die tegenstanders leerde ik veel zonder letsel op te lopen. Daar waren ze ook niet op uit. Bovendien zag ome Jan er ook altijd streng op toe dat het niet uit de hand liep. Ik leerde gewoon heel veel van die jongens.’
Extra drive
Gedreven als hij naar de trainingen kwam, dacht hij onvermijdelijk weleens aan wedstrijden. ‘Ik zal inmiddels een jaar of vierentwintig zijn geweest toen ik het ome Jan voorlegde. Maar die adviseerde me om het niet te doen. Dat was niet zo leuk om te horen, maar je wist dat ome Jan het in dat opzicht bij het juiste eind had. Ook in dat opzicht heb ik ontzettend veel respect voor die man. Hij gooide je niet voor de leeuwen zoals sommige trainers doen. Ik nam zijn advies ter harte en bleef gewoon met veel plezier trainen. Dat deed ik in die tijd met Ronald Tijsseling. Althans ik reed met hem mee naar de training. Hij woonde ook in Rozenburg dus dat kwam mooi uit. Daarbij was het een extra drive om trouw twee keer per week te trainen. Door samen te gaan, was je niet geneigd een keer over te slaan. Hij had in die tijd kleine, pittige autootjes. Een Golfje, een Corrado en later een oude Mitsubishi C**t. Soms vertrokken we te laat en liepen we het risico niet op tijd bij de boksschool te zijn. Dan gaf Ronald plankgas, hij trapte het pedaal nog net niet door de carrosserie. Ik zag hoe de snelheidsmeter richting de 180 km/u kroop. Daar probeerde ik niet te veel aandacht aan te besteden. Maar goed dat ome Jan dit niet wist, want die had ons ongetwijfeld flink de oren gewassen als hij erachter was gekomen.’
Ongekende klap
Zijn gezicht mag dan na al die jaren trainen ongeschonden zijn, in januari 2022 kreeg Mark een ongekende klap uit een totaal onverwachte hoek. Hij bleek darmkanker te hebben en moest geopereerd worden. ‘Tijdens die operatie bleek er een scheur van vijftien centimeter in mijn dikke darm te zitten. Dat was natuurlijk een fysieke, maar ook mentale opdonder. Ik deelde dit zorgwekkende bericht met mijn maatjes van de boksschool en in no time hing mijn huiskamer vol met beterschapskaarten. Dat deed me goed. En dat bevestigde dat familiegevoel van Schildkamp. Want het is één grote familie bij boksvereniging Schildkamp, we zijn allemaal vrienden. Sommige mensen die me een kaart stuurden, kenden me waarschijnlijk niet eens zo goed. Maar dat gaf me een extra gevoel van geliefd en gerespecteerd te zijn.’
Afleiding
Zodra hij daar fysiek weer enigszins toe in staat was, kwam hij weer trainen. ‘Na drie of vier chemokuren kroop het bloed weer waar het niet gaan kan en kwam ik weer naar de boksschool. Aanvankelijk trainde ik op de zak, maar na verloop van tijd ook weer met een tegenstander. Die gemoedelijke, huiselijke sfeer van de boksschool zorgde voor afleiding. En als je aan het boksen bent, ben je alleen maar daar mee bezig. Dan is er even geen tijd voor zorgen. Het is echt een uitlaatklep. De training bij Schildkamp helpt je de behandeling te vergeten en tegelijkertijd helpt die training je door het proces van kuren en herstellen heen. Maar je moet wel naar je lichaam luisteren. Je kunt pas weer trainen als je van een chemokuur hersteld bent, anders pleeg je roofbouw op je lichaam.’
Onderlinge betrokkenheid
Mark is ome Jan dankbaar dat hij die combinatie van huiselijkheid en sportiviteit heeft weten te creëren. ‘Maar ook John!’ benadrukt hij. ‘In de loop der jaren ging John meer lesgeven. Daar was ik blij mee want hij gaf ontzettend goed les. Hij was ook een heel goede bokser. Maar hij was ook erg begaan met mijn ziekte en de behandeling daarvan. Het is pijnlijk dat hij er niet meer is en het is droevig dat ome Jan daarbij ook nog eens afscheid heeft moeten nemen van zijn boksschool vanwege zijn gezondheid. Maar ondanks de afwezigheid van deze twee grootheden is de boksschool er gelukkig nog. Dat is de nalatenschap van ome Jan en John, die leeft voort! Dat komt door die onderlinge betrokkenheid. En dat is mooi. Als je naar de samenleving van vandaag de dag kijkt, mag je trots zijn op deze saamhorigheid. Iedereen bij boksvereniging Schildkamp heeft respect voor elkaar. Dat vind ik ontzettend belangrijk.’
Ondanks zijn ziekte blijft Mark als het even kan trainen bij boksvereniging Schildkamp. ‘Vanwege de sfeer, maar ook omdat boksen de mooiste sport blijft die er is. Uiteindelijk heeft zelfs mijn vader zijn ongelijk moeten onderkennen en mijn keuze om te gaan boksen goedgekeurd.’