21/03/2026
“Niet aankomen… niet aankomen…” hoor ik mezelf fluisteren terwijl mijn handen boven dat kleine lijfje blijven hangen.
Een roodharig manneke. Anderhalf jaar oud. Zo klein, zó duidelijk in zijn grenzen. Aanraken is te veel. Verschonen een strijd. Alles moet strak, voorspelbaar, veilig. Liggen in overgave? Alleen als het niet anders kan. Zo kort mogelijk. Alsof zijn lijf zegt: "ik doe het wel zelf."
Contact maken… het lukt niet. Niet echt. Ik ben er wel, hij ook. Maar ergens ertussen zit een onzichtbare muur. Tot hij zichzelf ontdekt. Hij staat voor de spiegel. Klein, stevig op zijn benen en zijn hand glijdt over het glas, volgt de contouren van dat rode haar. Hij kijkt, en kijkt en nog een keer. Alsof hij een geheim probeert te ontrafelen. Hij buigt, kijkt achter de muur. Waar kom ik vandaan? lijkt zijn lijf te vragen.
Dan, voorzichtig, raakt hij zijn eigen hoofd aan.
“Hallo.” Hij zwaait. Niet naar mij. Naar zichzelf.
Ik schuif een beetje opzij, wil het vangen, vastleggen. “Oooh mem…” Zijn ogen zoeken. In de spiegel. Niet naast zich. Niet achter zich. In die andere wereld.Daar kies ik. Niet verstoren. Maar volgen. “Mem zwaaie.” Hij zwaait, wacht en kijkt; “Ik zwaaie.” Ik zwaai terug. In zijn wereld. Daar gebeurt het.
Voor het eerst in drie maanden… is er contact. Geen geforceerd nabij zijn. Geen aanraking die te veel is. Maar via het glas. Via zijn eigen spiegelbeeld. Recht de ziel in. Hij durft écht te kijken. Hij laat me dichterbij komen. 30 centimeter achter hem. Meer niet. Nog niet.
Nog één stapje… denk ik. Maar de magie breekt. Zoals dat gaat.
Er is iets geopend. De spiegel wordt onze brug. In winkelramen, in deuren, overal waar iets weerspiegelt, pak ik mijn kans. Heel even samen in één beeld. Tot, ergens tussen twee etalages in, zijn hand ineens de mijne vindt. Klein. Voorzichtig. Hij kijkt. Recht zijn lijf. En zegt: “Samen.”