09/01/2025
Het verhaal dat begon op 10 januari 1942 en de gevolgen van de gebeurtenissen op die dag........opdat wij niet vergeten .
Op 10 januari 1942 is het patrouillevaartuig ms Mastduin (alias Borneo Maru), een in beslag genomen j*pans vissersschip, vanuit Samarinda op weg richting het olierijke eiland Tarakan met een detachement van 50 KNIL militairen aan boord, waaronder mijn vader, tbv de versterking van de troepen op Tarakan ivm de verwachtte j*panse aanval. Zij waren eerder vertrokken vanuit Semarang en afkomstig van het 5e bataljon (Inf V).
Aangezien er een groot convooi j*panse schepen Tarakan snel nadert, ontvangt de ltz 1 Rosier ( C GVT 4 ) opdracht om te verkennen en tevens de Mastduin terug te sturen. Hij stuurt de Do-24K met registratie nummer X-13 voor de laatste genoemde opdracht.
De X-13 verkend de Mastduin om ongeveer 15.00 uur tussen de eilandjes Bilang-Bilangan en Mangkalihat in de Celebes zee. De X-13 land bij het schip, maar wordt hierop aangevallen door een j*panse Vought-Sikorsky en stijgt daarom snel op.
Onderwijl valt een andere j*p, een Mitsubishi G4M 'Betty', de Mastduin aan met mitrailleurvuur en gooit van lage hoogte een lichte bom midden op het dek van het schip.
De ltz 2 J.Engles (de gezagvoerder) en de sergeant-majoor detachements commandant worden hierbij op slag gedood, met nog 8 soldaten. Er vallen meer dan 30 gewonden.
Het schip maakt water en de meereizende dominee en 4 anderen springen overboord. De stoker Vester , die eveneens als ltz2 Engles afkomstig was van de mijnenveger Prins van Oranje, zet vervolgens het schip op een rif.
Nadat de j*ppen zich hebben teruggetrokken, pikt de X-13 de drenkelingen en enige zwaargewonden op en brengt deze aan land bij de mijnbouwvestiging Telok Bajor aan de monding van de Beraourivier (de steenkoolmaatschappij Parapattan).
Een van die zwaargewonden is mijn vader. Door het mitrailleurvuur van de 'Betty' wordt hij in het schouderblad getroffen, slaat overboord en raakt vervolgens bewusteloos.
Later vertellen mede overlevenden hem dat hij helemaal verstijfd, bewusteloos en onder de stookolie aan zijn haren door het mangat levenloos aan boord van de X-13 was getrokken. Vervolgens wordt hij op Telok Bajor in het hospitaal van de mijnbouwvestiging opgenomen en behandeld, tot de j*panners op 21 maart de daar nog verblijvende militairen naar Tarakan bracht.
Op 11 januari om 00.30 uur vertrekt de ltz 1 Rosier met de X-21 en X-14 naar het wrak van de Mastduin om de overige overlevenden op te pikken. In totaal krijgen zij 45 man aan boord. Het aan boord brengen der zwaargewonden is heel lastig. Ze vergaan van de pijn, zijn onderkoeld, en hebben zware verwondingen en moeten in bochten gewrongen worden om ze door het nauwe mangat te krijgen. Deze worden naar Balikpapan gebracht.
Helaas gaat de X-13 op 7 februari 1942 verloren bij het eiland Roti (Kleine Sunda Eilanden).
Vwb de X-14 en X-21 was er ook geen happy end. De eerste verongelukt op 21 januari 1942 bij een rivierlanding bij Balikpapan, en de tweede op 22 februari 1942 bij Bali tijdens een mijnenlegvlucht.
Het verdere verloop van het verblijf van de fuselier/cavalerist Kabbedijk op Tarakan is ook weinig hoopgevend en er werd door mijn vader nooit of nauwelijks over gesproken. Enkel viel wel regelmatig de naam van de militaire arts, Officier van Gezondheid dr. Tan. Het verslag van dr. Tan is dan ook de leidraad in mijn verdere reconstructie van die verschrikkelijke nachtmerrie waar mijn vader in was beland.
Het verslag van dr. Tan geeft een onthutsend beeld van de teloorgang van menselijke waarden en normen. Onvoldoende voeding, dwangarbeid, mishandeling en ziekte.
Na de overgave kwamen de krijgsgevangenen eerst terecht in Infanterie kampement van Inf VII. Dit kamp herbergde circa 1250 krijgsgevangenen, ondergebracht in 5 chambrees (legeringsbarakken). Iedere chambree was 25 m lang en 4 meter breed en herbergde 250 man die allen op de koude vloer sliepen. Ramen dichtgespijkerd, geen ventilatie, geen licht en de eerste 2 weken geen water uit de kraan. Dzv een BPM technicus kwam er water uit de sloot beschikbaar voor baden en wassen alleen.
Dat aantal verminderde al snel op 18 januari.
Op 18 januari moesten alle militairen van de kust artillerie stellingen Peningki en Karoengan, 215 man, aantreden. De dag daarop werden ze afgevoerd. Later bleek dat zij door de j*panners waren geëxecuteerd ivm het eerder tot zinken brengen van 2 lichte kruisers.
Enige weken later, 17 februari, werd er van het Infanterie kamp verhuisd naar het Artilleriekampement, waar de hygiënische omstandigheden nog slechter waren dan in het Infanterie kamp, met als gevolg elke dag een toename van dysenterie zieken en de toename van sterfgevallen mede agv ondervoeding. Mijn vader arriveerde op 21 maart 1942 op Tarakan en komt dus terecht in het Artilleriekampement.
Op 6 juni vertrekt de helft van de krijgsgevangen, ongeveer 450 man naar Balikpapan. Alle zieken en diegene die moeilijk liepen bleven op Tarakan, zo ook mijn vader.
Het verplicht werken ging wel gewoon door.
Vanaf september 1942 werd er begonnen met werken aan het vliegveld. Het werk op het vliegveld was grondverzet en was niet alleen zwaar voor de krijgsgevangen die agv slechte voeding ondervoed waren, maar ook door de straffen en mishandelingen opgelegd door de j*ppen. De hitte op het terrein was ondraaglijk, de meesten hadden geen schoenen meer, en het opjagen door de bewakers maakten de mensen lichamelijk en geestelijk kapot. Vooral de Europese krijgsgevangenen werden beestachtig behandeld en kregen het zwaarste en moeilijkste werk, zoals achter de overbeladen lorries lopen in looppas opgejaagd met een rottanknuppel. In de maanden juni, juli en augustus steeg het sterftecijfer tot grote hoogte.
De werkzaamheden aan het vliegveld eindigden in september 1944, en daarmee tot vreugde van de krijgsgevangen ook de mishandelingen.
Oktober 1944 voor het eerst loeiende sirenes voor luchtaanvallen, en op 17 november de eerste bombardementen op het boorterrein. De j*panners raakten volledig de kluts kwijt en traden nog strenger op tegen de krijgsgevangen met mishandelingen. Verder moesten de gevangenen beginnen met het aanleggen van stellingen, en het moreel van de krijgsgevangen steeg met de dag. Ook het aantal ziektegevallen verminderde, dysenterie werd schaars, vooral omdat er niet meer op het vliegveld gewerkt werd.
Op 27 april 1945 moeten alle krijgsgevangenen verplaatsen naar het zgn. bosbivak bij Goenoeng Api dicht bij het vliegveld. Een een ander als gevolg van de naderende landing van de geallieerden en de voortdurende luchtaanvallen.
Daar begon opnieuw een leven van ellende. Hard werken en slecht eten. Vaak weinig zure rijst, geen groenten en af en toe voeding uit blik .
Elke dag blootstelling aan bombardementen, artillerie en mortier vuur.
Van uit het bosbivak zagen vele Indonesische krijgsgevangenen de kans schoon om te vluchten. Toen de j*ppen daar achter kwamen werden de achter gebleven krijgsgevangen, die voor 2/3 uit zieken (dysenterie, beri beri, malaria) en gewonden bestonden gestraft en mochten niet meer binnen slapen en moesten de nachten doorbrengen in de open lucht.
Op 1 mei 1945 waren de Australische troepen geland op het eiland en hadden Tarakanstad met het j*panse hoofdkwartier begin juni ingenomen.
Agv de steeds slechter wordende gezondheidssituatie en de steeds verder oprukkende geallieerden werd op 13 juni besloten door dr. Tan om de Goenoeng Api te verlaten en naar de vrijheid te lopen, met al zijn zieken en gewonden. 120 man sterk waarvan 90 krijgsgevangenen en 30 koelies. Via de kortste weg 2 km naar Tarakan stad waar de Australische troepen zich dus al bevonden.
Zwaaiend met een witte vlag, langs de laatste j*panse post die begon te vuren toen ze zagen dat er met een witte vlag werd geseind. Gelukkig zonder iemand te treffen.
Het einde van een nachtmerrie voor de fuselier/cavalerist Kabbedijk die begon op 10 januari 1942 en duurde tot 13 juni 1945.
Van zwaar gewond tot geestelijk en lichamelijk gebroken, maar opgeven was geen optie.
Het met olie gezegende eiland Tarakan was niet het eiland der gezegenden gebleken. Zeker niet voor de krijgsgevangen.