27/08/2026
Gisteravond kreeg ik een paar keer dezelfde vraag.
Ja maar, hoe begin ik daar nu aan?
Drie zinnen. Meer heb je niet nodig.
1. Dit is wat ik zie. Feiten. Niet wat jij erover denkt. “De laatste drie weken kwam het rapport op donderdag. Niet op dinsdag.” Niet: “ik heb het gevoel dat je er wat losser mee omgaat.” Dat is jouw invulling. Daar kan niemand iets mee.
2. Dit is wat het doet. Het gevolg. Geen verwijt. “Daardoor kan het team pas op vrijdag verder.” Niet: “daardoor zet je het hele team klem.” Dat is een oordeel met een gevolg errond.
3. Dit is wat ik nodig heb. Concreet. Geen wens. “Ik wil het vanaf nu op dinsdag, twaalf uur.” Niet: “het zou fijn zijn als het wat vlotter zou lopen.” Daar kan iemand niks mee doen.
Behalve zich slecht voelen.
Zie je wat er ontbreekt?
Geen “ik vind het zo jammer dat”. Geen “iedereen zegt”.
Geen twee minuten inleiding waarin je het al zacht maakt voor je begonnen bent.
Dat weglaten voelt hard. Maar dat is het niet.
Dat is respect voor iemands tijd.
Kijk maar wat er gebeurt mét die inleiding. Je zegt: “ik weet dat het een drukke periode is, en ik wil echt niet vervelend doen, en het is niet erg hoor, maar...”
Tegen dat je bij dat “maar” bent, is de ander al drie keer geschrokken en één keer opgelucht.
Ze weet niet meer of dit nu belangrijk is of niet.
En dan zeg jij achteraf: ik heb het toch gezegd?
Ja. Je hebt het gezegd.
Zo zacht ingepakt dat het niet is aangekomen.
Drie zinnen. Vijftien seconden.
Welke van die drie laat jij meestal weg?
Wil je dat patroon doorbreken?
DM Bold en ik vertel je hoe je dat doet
Liefs Annick