03/09/2026
❣MUST READ: NIEUW COLUMN JULES PANENKA!!❣
DE CLUB DIE ER VOLGEND JAAR NIET MEER IS
Het provinciale voetbal begint weer. Dat merk je aan alles. Aan trainers die zeggen dat de uitslagen in de voorbereiding totaal onbelangrijk zijn, vooral nadat ze met 6-0 hebben verloren. Aan spelers die tijdens de zomer drie keer zijn gaan lopen en zichzelf conditioneel klaar noemen. Aan bestuursleden die ontdekken dat er nog geen scheidsrechtersvergoeding in de enveloppen zit. En aan kalklijnen die soms nog schever liggen dan de aanwezigen op een gemiddelde lokale bestuursvergadering.
Maar het provinciale voetbal begint dus weer. Nieuwe shirts. Nieuwe spelers. Nieuwe trainers. Nieuwe ambities. Iedereen heeft goed gewerkt. Iedereen beschikt over een brede kern. Iedereen wil rustig blijven, wedstrijd per wedstrijd bekijken en vooral zo snel mogelijk gered zijn. Behalve de ploegen die kampioen willen spelen. Dat zijn er meestal twaalf in een reeks van veertien. Veertien ploegen.Veertien, inderdaad. Want in Vierde Provinciale Vlaams-Brabant tellen de reeksen dit seizoen nog slechts veertien clubs. Ooit stonden de provinciale reeksen vol met namen van dorpen waarvan je niet eens wist waar ze lagen. Dat was ook niet nodig. Je wist dat je er op zondag naartoe moest, dat het veld schuin lag, dat de koffie slecht was en dat de plaatselijke linksachter na vier minuten al iets over je moeder zou roepen. Dat was voldoende aardrijkskunde.
Vandaag verdwijnen er ieder seizoen opnieuw clubs. Soms geruisloos. Soms na een laatste wanhopige vergadering in een kantine waar nog vijf mensen aanwezig zijn, van wie er twee per ongeluk binnengekomen zijn omdat ze dachten dat er een kaartavond was.
Een voetbalclub sterft zelden op één dag. Ze sterft langzaam. Eerst stopt een jeugdploeg omdat er te weinig spelers zijn. Daarna stopt een vrijwilliger omdat hij het al vijftien jaar doet en niemand ooit gevraagd heeft hoe het met hem gaat. Vervolgens vertrekt een sponsor. De energiefactuur stijgt. De kantine heeft een nieuw dak nodig. De gemeente heeft geen geld. De spelers willen een hogere premie. De trainer wil betere faciliteiten. De voetbalbond wil formulieren. Heel veel formulieren. En uiteindelijk blijft er één bestuurslid over met drie sleutels, vier schuldeisers en een koelkast vol vervallen mayonaise.
Hoe komt dat?Misschien omdat een dorp niet langer hetzelfde dorp is als vroeger. Mensen wonen ergens, maar leven er niet noodzakelijk. Ze werken elders, winkelen elders, sporten elders en spreken hun buren vooral wanneer een overhangende haag tot een diplomatiek conflict is uitgegroeid. De lokale voetbalclub was ooit het kloppende hart van een gemeenschap. Vandaag moet dat hart concurreren met streamingdiensten, citytrips, padel, festivals, weekendwerk, gescheiden gezinnen en kinderen die op zaterdag drie hobby’s combineren omdat één hobby blijkbaar pedagogisch onverantwoord is.
Misschien komt het ook doordat we van amateurvoetbal soms professioneel voetbal in miniatuur proberen te maken. Spelers wisselen sneller van club dan vroeger. Niet noodzakelijk omdat ze ergens anders liever voetballen, maar omdat er twintig euro meer te verdienen valt of omdat iemand beloofd heeft dat ze “op de tien” mogen spelen. Clubs gaan daarin mee. Ze moeten wel, denken ze. Want wie niet betaalt, verliest spelers. Wie spelers verliest, zakt. Wie zakt, verliest sponsors. En wie sponsors verliest, verkoopt op den duur warme pinten omdat de koelkast opnieuw kapot is. Het is een systeem waarin bijna iedereen weet dat het ongezond is, maar niemand als eerste durft te stoppen.
Daarnaast wordt het steeds moeilijker om vrijwilligers te vinden. Niet omdat mensen luier zijn geworden. Dat wordt graag gezegd door mensen die zelf al twintig jaar niets vrijwillig gedaan hebben. Het probleem is dat vrijwilligerswerk steeds meer op echt werk begint te lijken.
Vergunningen. Verzekeringen. Boekhouding. Veiligheid. GDPR. Wedstrijdbladen. Aansluitingen. Afmeldingen. Boetes. Keuringen. Reglementen waarin artikel 7 verwijst naar artikel 12, dat vervolgens stelt dat artikel 7 niet van toepassing is wanneer artikel 9 mogelijk van toepassing zou kunnen zijn. Je begint als bestuurslid omdat je van voetbal houdt. Drie jaar later ben je onbezoldigd jurist, boekhouder, klusjesman, psycholoog, evenementenorganisator en telefonische klachtenlijn voor ouders die willen weten waarom hun zoon afgelopen zondag pas in de 83ste minuut mocht invallen.
Waar gaat dit naartoe? Waarschijnlijk naar minder clubs. Naar fusies. Samenwerkingen. B-ploegen. Regionale projecten. Grotere verenigingen die verschillende dorpen vertegenwoordigen. Dat hoeft niet noodzakelijk slecht te zijn. Samenwerken kan verstandig zijn. Materiaal, infrastructuur, jeugdopleiding en vrijwilligers delen kan clubs soms sterker maken.
Maar bij iedere fusie verdwijnt er ook iets. Een naam. Een stamnummer. Een kleur. Een derby. Een stuk geschiedenis. Het verhaal van een cafébaas die ooit voorzitter werd omdat niemand anders het wilde doen. De herinnering aan een ploeg die in 1987 kampioen speelde en daarom volgens sommige oud-spelers nog altijd officieel recht heeft om gratis te drinken.
Voetbal is meer dan competitie. Het is identiteit.
Het gevaar bestaat dat we pas beseffen wat een lokale club betekende wanneer ze verdwenen is. Wanneer het veld vol onkruid staat, de doelen zijn weggehaald en op de plaats van de kantine zes appartementen verrijzen met namen als “Residentie De Middenstip”.
Kunnen we het tij nog keren? Misschien. Maar dan moeten we stoppen met provinciale clubs te behandelen alsof het kleine ondernemingen met een onbeperkte voorraad personeel en geld zijn. Administratie moet eenvoudiger. Gemeenten moeten beseffen dat investeren in een voetbalclub ook investeren is in ontmoeting, beweging en sociale samenhang. Voetbalorganisaties moeten niet alleen controleren en bestraffen, maar ook begeleiden. En clubs zelf moeten eerlijker worden. Niet iedere ploeg moet binnen drie jaar in Eerste Provinciale spelen. Niet iedere jeugdspeler wordt prof. Niet iedere transfer moet kost wat kost binnengehaald worden. Soms is overleven een grotere prestatie dan promoveren.
Een gezonde club heeft namelijk niet noodzakelijk de duurste spits. Ze heeft mensen die op zaterdag de kleedkamers poetsen. Iemand die de was doet. Een trainer die jeugdspelers kansen geeft. Een kassier die ook bij regenweer blijft zitten. Supporters die na drie nederlagen nog terugkomen. Bestuursleden die elkaar niet vermoorden tijdens de maandelijkse vergadering. Dat klinkt weinig spectaculair, maar het is precies daarop dat het provinciale voetbal gebouwd is.
Binnenkort rolt de bal opnieuw. Op velden die te hard, te nat, te lang of te hobbelig zijn. Voor vijftig supporters, twee honden en een man die gedurende negentig minuten roept dat de trainer moet wisselen zonder te weten wie er op de bank zit. En toch blijft het prachtig.
Alleen moeten we ervoor zorgen dat er volgend jaar nog genoeg clubs zijn om tegen te spelen. Want een competitie met veertien ploegen kan nog perfect werken. Een competitie met dertien ook. Maar wanneer er ieder jaar eentje verdwijnt, komt er vroeg of laat een zondag waarop we allemaal klaarstaan op het veld, en er aan de overkant niemand meer is…
Jules Panenka — verhalen van langs de zijlijn