De Kunst van het Groeien

De Kunst van het Groeien Zou je volledig jezelf willen zijn én tegelijk liefdevolle verbinding willen ervaren?

innerlijk kind werk - individuele familieopstellingen - lichaamsgerichte therapie

‘Het gaat op zich best goed,’ zegt ze. ‘Nu de scheiding officieel is, vind ik steeds meer mijn weg in het alleen wonen e...
19/02/2026

‘Het gaat op zich best goed,’ zegt ze. ‘Nu de scheiding officieel is, vind ik steeds meer mijn weg in het alleen wonen en in het alleen zijn met mijn zoontje. Alleen… zodra ik zijn vader weer zie, dan gaat het mis... Dan voel ik me ineens weer heel klein. Dan voelt het alsof ik het bij voorbaat al fout doe, wat ik ook doe. Alsof ik het nooit goed kan doen. Ja. Het voelt dan voor mij alsof hij steeds een oordeel over mij heeft of ieder moment kan hebben.
Ik bevries gewoon in ons contact. En dan raak ik mezelf toch weer helemaal kwijt.

Ik zou zo graag, ook voor ons zoontje, meer rúst hebben in de relatie met mijn ex-partner…’

Zo’n half jaar geleden gaf de vader van hun zoontje aan de relatie te willen beëindigen. Gedurende het hele proces is ze al een aantal keren bij mij geweest. Ze wilde graag samen met mij onderzoeken wat er werkelijk in haar werd aangeraakt in deze voor haar zo heftig emotionele periode. Waar zich de werkelijke wortel bevond van haar reageren nu. Hoe ze hier zo goed mogelijk doorheen zou kunnen komen en zo goed mogelijk voor zichzelf kon blijven zorgen. En ook hoe ze er zo goed mogelijk kon zijn voor haar zoontje.

We onderzochten met een paar individuele familieopstellingen en ze ontdekte ook hoe ze er kon zijn voor haar innerlijke meisje, met alles wat er in haar leefde. En het bracht haar dus al veel meer rust.

Nu, ongeveer een maand na de laatste familieopstelling, is ze weer bij me.
‘Fijn om af en toe écht even de tijd te nemen om stil te staan,’ zegt ze. ‘Te delen, te voelen: ‘waar sta ik nu en hoe nu verder?’ Met mijn werk en mijn zoontje en zo... en ja, ik voel me ook nog best moe van alles... komt dat er gewoon niet echt van.

‘Oh, wat fijn,’ zegt ze, wanneer we samen kijken naar en voelen in waar ze eerst was en hoe het nu is. ‘Soms lijkt het alsof er helemaal geen vooruitgang in zit… Maar ik ben toch echt wel verder dan ik dacht.’

‘Maar als ik mijn ex-partner zie…,’ vertelt ze, dan reageer ik zó heftig emotioneel! En ik heb geen idee hoe dat kan. Ik lijk wel een klein meisje, dan!’

Ik luister en voel mee met haar verhaal, en ik stel vragen.

‘Wanneer hij weer voor je staat,’ vraag ik, ‘hoe voelt dat precies voor jou? Welke emotie ervaar je dan?’
Ze sluit haar ogen, voelt en zegt dan: ‘Ik voel me dan gewoon minderwaardig... Ja. Minder en klein of zo. Ja… Alsof ik nooit kan voldoen aan hoe hij zou willen dat ik was... Zo voelde het altijd al wel een beetje in onze relatie, maar nu lijkt het wel erger geworden. Alsof ik het nooit goed genoeg kan doen…’
‘Wanneer je nu voelt in je lijf…,’ vraag ik, ‘is er dan een plek waar de meeste aandacht naar toe gaat?’
‘Ja…,’ zegt ze, en ze wrijft over haar borstgebied. ‘Hier voel ik spanning…’
‘Hm...’ vraag ik dan, ‘dat gevoel… puur dát gevoel, de spanning, je borstgebied… dat minderwaardige gevoel… los van de situatie nu... puur dat wat je nu voelt… is dat iets dat je kent, vanuit je opgroeien misschien?’
Ze voelt weer even.
‘Ja…’ zegt ze dan. ‘Het doet me denken aan mijn moeder. Goed bedoeld hoor… maar dit gevoel doet met denken aan dat ze me kon overláden met complimenten. Dan zei ze bijvoorbeeld: ‘Wat ben je toch sterk!' ...terwijl ik dat zelf dan helemaal niet zo ervaarde.’
Ze opent haar ogen weer en dan zegt ze: ‘Mijn moeder vertelde het liefst heel trots aan iedereen hoe sterk ik wel niet was. Maar voor mij voelde dat alsof de lat dan héél hoog lag. Alsof ik dan dus ook altijd echt moest zijn zoals zij van mij verwachtte…’

We besluiten haar verlangen om meer rust te ervaren in de relatie met haar ex-partner verder te onderzoeken in een individuele familieopstelling, met vloerankers.

Ze pakt een vloeranker voor zichzelf en legt die op een plek in de ruimte neer. Ze weet al wat de bedoeling is: ze voelt, met haar ogen dicht. In haar lijf en wat er ook maar in haar op komt aan gedachten en gevoelens, beelden, of wat dan ook.

‘Ik sta heel stevig, wat fijn!’ zegt ze. Er klinkt vooral verbazing in haar stem, alsof dat fijne gevoel haar plotseling verrast. Ja, nu ze even de tijd neemt om écht naar binnen te gaan en te voelen in haar lijf, ervaart ze daadwerkelijk haar kracht. Dat het eigenlijk beter met haar gaat dan ze dacht…
‘Mijn onderbenen voelen heel krachtig,’ zegt ze met een klein beetje trots. ‘Alsof ik heel stevig op de aarde sta. Ik voel energie stromen in mijn buik. Het voelt heerlijk rustig... zacht... Lénte!’ Ze lacht breeduit nu.

Dan vraag ik haar een vloeranker te pakken voor haar zoontje, een voor de vader van haar zoontje en een voor haar moeder.
Wanneer ik zeg: ‘...en één voor je moeder,’ kijkt ze wat verward op. ‘Ik heb toch al een tegel voor mezelf?’ vraagt ze. Ik glimlach. ‘Ik zei 'je moeder'...,’ zeg ik zacht. ‘Oh.... jaaa...,’ lacht ze dan terug. ‘Jeetje... zo blijkt maar weer hoe sterk ik met haar verweven ben…’

Mijn ervaring dat alles wat er tijdens een familieopstelling gebeurt, nooit zomaar is. Alles geeft informatie, alles heeft een betekenis.

Ze plaatst de vloerankers in de ruimte, voor iedere persoon één. Open en eerlijk. Precies zoals het op dit moment voor haar voelt. Qua afstand van haar en welke kant de personen op kijken.

Haar moeder geeft ze een plek vlak achter haar zelf, bijna tegen haar eigen plek aan. Moeder kijkt vol verwachting naar dochter.

Ze geeft haar zoontje ook een plek. Iets rechts vóór haar, kijkend naar de richting links van haar.

En de vader van haar zoontje krijgt een plek vóór haar, in een hoek van de ruimte, ver van haar af. Hij staat met zijn rug naar haar toe.

Wanneer alle personen een plaats hebben gekregen, blijft ze even staan om er van een afstandje naar te kijken. Ze is even stil en dan loopt ze naar haar eigen vloeranker toe. En dan draait ze deze, op zo'n manier, dat ze nu kijkt in de richting van haar zoontje en de vader van haar zoontje.
Vervolgens kijkt ze mij aan. ‘Ja..,’ zegt ze met een glimlach, ‘ik wil graag naar ze kijken...’
‘Zou het kunnen zijn dat er iets verandert in jou, wanneer zij erbij komen? Herken je dat?’ vraag ik.
‘Ja... ja, dat klopt...,’ zegt ze, terwijl ze naar de vloerankers blijft kijken.
‘Is het oké voor je om jouw vloeranker weer te draaien,’ vraag ik, ‘zoals hij eerst lag? En dan te zien wat er gebeurt? Misschien kan dat ons ook informatie geven.’
Ze knikt, en draait haar vloeranker met de kijkrichting weer terug zoals deze in eerst lag.

Dan gaat ze op haar plek staan en voelt.
Meteen voelt ze dat ze naar achteren getrokken wordt, naar haar moeder die daar staat. ‘Wow, ik val bijna om!’ zegt ze, zwaaiend met haar armen om haar evenwicht te bewaren. ‘Alsof ik hier niet kan blijven staan... Niet fijn!!’

Jeetje. De stevigheid en de rust die ze ervaarde, toen ze, in het begin, alleen stond, is nu helemaal verdwenen.

Ik vraag haar om even op de plek van haar moeder te gaan staan. Opnieuw sluit ze haar ogen en voelt ze.
‘Hier voelt het leeg...,’ zegt ze. ‘Alsof ik zweef… alsof ik er niet ben.’ Dan is ze even stil en dan zegt ze: ‘En het is alsof ik mijn kin omhoog wil doen... het voelt als... alsof ik mijn best moet doen.’

Weer op haar eigen plek voelt het nu iets rustiger. Alsof ze ervaren heeft wat er bij haar moeder hoort en in energie iets daarvan daar heeft gelaten.

Dan vraag ik haar of ze zich om zou willen draaien naar haar moeder, zodat ze tegenover elkaar komen te staan.
En ze draait zich om.
‘Hoe is het om je voor te stellen dat je haar in de ogen kijkt?’ vraag ik. Met haar ogen dicht beeldt ze zich in dat ze haar moeder aankijkt en ze voelt.
‘Mijn moeder kijkt niet naar mij...,’ zegt ze. Ik hoor een trilling in haar zachte stem. ‘Ze kijkt weg, alsof ze mij niet aan durft te kijken, alsof ze ergens onzeker over is…’
‘Hmm…,’ zeg ik. ‘Voel je je nu energetisch groter of kleiner dan je moeder?’
‘Duidelijk groter!’ zegt ze beslist.
‘Hoe is het voor je,’ vraag ik dan, ‘om tegen je moeder te zeggen: Jij bent mijn moeder, ik ben jouw kind.’ Ze herhaalt mijn woorden en voelt. ‘Het voelt wat vreemd, wat onwennig...,’ zegt ze. ‘Maar ergens voel ik wel dat het klopt... en…’ - het is even stil, ze voelt weer even - ‘nu voelt het wel gelijkwaardig... ja... alsof ik nu even groot ben als mijn moeder!’

We spreken even over haar loyaliteit naar haar moeder, die als kind, vanuit blinde kinderliefde, is ontstaan, toen ze zó graag aan de verwachtingen van haar moeder wilde voldoen. Dat ze niets liever wilde dan dat haar moeder trots op haar kon zijn, én dat haar moeder dan blij kon zijn.

Met een steen in haar handen, als symbool voor die last die bij haar moeder hoort, die niet de verantwoordelijkheid is van haar als kind, staat ze even later tegenover haar moeder. Haar ogen dicht om goed te voelen met de woorden die ze hardop uit zal spreken.
‘Lieve mam,’ zegt ze. ‘Deze last heb ik als kind met liefde voor je gedragen, maar ik laat het nu bij jou. Want dit hoort bij jou.’
Ze legt de steen op de plek van haar moeder en voelt opnieuw.
Een hele diepe zucht volgt. ‘Pfff…’ zegt ze, na een korte stilte. ‘Jaaa…! Nu voel ik mijn benen weer op de grond staan! Ja, wat fijn…! Ik voel veel meer ruimte... ik kan dieper ademen!’
‘Kun je voelen dat dit nu echt jóuw plek is, los van de plek van je moeder?’ vraag ik.
‘Jaaa, dat is het! Dat vóel ik!’ zegt ze blij.

Dan draait ze zich weer om. Haar moeder staat nu weer achter haar. Nog steeds heel dichtbij haar. Maar nu voelt het anders.
‘Ik voel me veel rustiger nu...,’ zegt ze, ‘ik voel dat trekken niet meer.’ Ze wiebelt even me haar benen. En dan zegt ze: ‘Maar mijn benen voelen nu wel een beetje zwaar of zo... alsof ik net zwaar gesport heb en nu mijn spieren voel.’ Dan draait ze met haar linkerschouder, ze buigt haar hoofd er een beetje naar toe. ‘En ik voel ook zoiets in mijn schouder…’ zegt ze.
‘De energie die in jou aan het veranderen is, is sneller dan je lijf,’ leg ik uit. ‘Je ziel heeft het nu al meteen begrepen, dat is de innerlijke rust die je ervaart. Maar je lijf, die zó veel jaren is gewend om iets te dóen… zoals bijvoorbeeld ongemerkt je schouder iets omhoog houden alsof je - net als je moeder trouwens - je best wilde doen… heeft nog tijd nodig om een nieuwe balans te vinden.’
Ze knikt en zegt: ‘Die schouder doet vaker pijn, de laatste tijd.’

Ik vraag haar haar ogen te sluiten, haar hand op de pijnlijke schouder te leggen en naar die plek toe te ademen. Ze legt haar hand op de schouder, ademt en voelt.
‘Wat gebeurt er nu?’ vraag ik na een tijdje. ‘Blijft je dat spierpijn-achtige voelen of verandert er iets?’
‘Nee... het ontspant helemaal!’ zegt ze. ‘Het voelt nu heel zacht... Echt veel fijner!’
‘Mooi...,’ zeg ik. ‘Ook op deze manier kun je voor jezelf zorgen. Alsof je pijnlijke schouder je innerlijke meisje is en je hand je innerlijke moeder die er voor haar is.’
Ze knikt en glimlacht.

Het valt me op dat haar gezicht er duidelijk meer ontspannen uitziet, veel zachter. En ik zie nu een blos op haar wangen in plaats van de vermoeidheid en het witte gezicht dat ik zag bij binnenkomst.

Ze staat nog steeds op haar eigen plek, haar ogen open nu, en ze kijkt rond naar de andere plekken. Ze kijkt naar de plek van de vader van haar zoontje.
Meteen voel en zie ik de spanning weer in haar. En het klopt. ‘Daar is nog iets…,’ zegt ze.

Ik vraag haar of ze zich weer een beetje om wil draaien, nu kijkend in de richting van de vader van haar zoontje.
‘Hoe is het voor je om hem in de ogen te kijken?’ vraag ik.
Nu sluit ze haar ogen niet om daar in te gaan voelen. ‘Ik durf niet...,’ zegt ze. ‘...Ik ben bang dat hij me afwijst…’
Daarna doet ze toch haar ogen dicht en ze voelt. ‘Ik voel me nu ineens weer heel klein…’ zegt ze, nauwelijks verstaanbaar.
‘Hoe zou het zijn,’ vraag ik dan, ‘om hem in de ogen van de ziel te kijken? Om hem aan te kijken in wie hij in essentie is, zonder zíjn ballast, vanuit zíjn familiesysteem? Lukt dat…?’
Ze zucht en dan knikt ze. ‘Zo is het wel oké,’ zegt ze.
‘Hoe is het nu voor je,’ vraag ik dan, ‘om tegen hem te zeggen: Ik dank je voor al het moois dat er tussen ons is geweest. En ik laat je nu gaan.'
Ze slikt en ze is stil.
‘Het is oké…,’ zeg ik zacht. ‘Kijk maar of je nieuwsgierig kunt opmerken wat je voelt met deze woorden…’
Hardop spreekt ze nu zelf de woorden uit en dan ineens komen de tranen. Ze stromen over haar wangen, steeds harder huilt ze, met snikken tussendoor, als een klein meisje. Zachtjes leg ik mijn hand op haar onderrug. ‘Het is oké… voel maar…’ fluister ik.
Dit verdriet wil duidelijk gevoeld worden. Ik ben bij haar en geef haar de tijd om helemaal te doorvoelen.
Het is een golf die opkomt, piekt en dan weer afneemt. Het duurt nauwelijks een minuut.
Dan is het stil. Heel stil. Rust. En dan laat ik haar weer los, ga ik weer schuin achter haar staan, terwijl zij met haar ogen dicht nog navoelt.

Na een tijdje stilte vraag ik haar: ‘Hoe is het voor je om nu tegen hem te zeggen: Ik eer jou als de vader van ons kind. Jij bent de enige juiste vader voor onze zoon.’
Ze herhaalt mijn woorden met een zachte stem, maar nu klinkt ze een stuk rustiger.
Ze zucht diep en zegt dan: ‘Wow... Ik voel me nu een heel stuk rustiger, opener... Ja, wauw… Wát een opluchting!’

Ze blijft weer even zo staan, met haar ogen dicht.
Ineens zie ik dat ze weer wat witter wordt in haar gezicht.
‘Wat gebeurt er nu?’ vraag ik zacht.
‘Het… het is alsof ik in een draaikolk zit,’ zegt ze. ‘Alsof... de ene helft van mijn lichaam de ene kant op wil en de andere helft de andere kant op!’
‘Kun je wel blijven staan? Of heb je het gevoel dat je even moet gaan zitten?’ vraag ik.
‘Nee,’ zegt ze. ‘Het is oké. …Maar het voelt wel heel vreemd… het wil… het blijft maar draaien…’
‘Hm...,’ zeg ik. ‘Kijk maar of het je lukt om daar bij te blijven. Volg dat gevoel, die energie maar… Kijk maar of je nieuwsgierig kunt opmerken wat er gebeurt…’

En dan volgt ze het letterlijk. Met haar lichaam. Heel langzaam, met haar ogen dicht, draait ze rondjes op haar plek. Af en toe staat ze even stil. En dan draait ze weer een stukje verder. Ik kijk en voel met haar mee en we laten het gebeuren. Net zo lang tot ze voelt dat het weer tot stilstand mag komen.

Wanneer het draaien is gestopt, kunnen we allebei onze ogen bijna niet geloven.
We zien dat ze, ronddraaiend en met haar ogen dicht, precíes is geëindigd met haar kijkrichting zoals ze haar vloeranker in helemaal in het begin van deze opstelling neerlegde. Toen alleen haar vloeranker er nog maar was en ze zich zo krachtig, zo geaard en zo ‘lente-ontspannen’ voelde…

Ze kijkt verrast en blij om zich heen. ‘Wauw!’ zegt ze. ‘Jeetje… hoe is het mogelijk?! Ik had geen idéé welke kant ik op keek! …En nu sta ik precies zo als ik helemaal in het begin stond!’ Ze kijkt me stralend aan.
We hebben allebei kippenvel.
‘Ja, wauw…, zegt ze. ‘...En ik voel me weer net zo geaard, zo ruim, zo rustig als net in het begin... Maar nu met hen erbij!!’ Ze kijkt naar de plek van haar moeder, naar die van haar zoontje en ten slotte ook naar die van de vader van haar zoontje.
En ze lacht en ze straalt, haar ogen twinkelen en de blos, het zachte is weer terug op haar gezicht.
‘Yesss!’ zegt ze. ‘Ik kan gáán. Ruimte... lucht... ik ben VRIJ..!!!’

Wat een héérlijke energie is er nu voelbaar. We juichen allebei, met onze armen in de lucht.

‘Jaaa… dit is mijn plek!’ zingt ze. ‘Mijn eígen plek! En ik mag doen wat ík wil en zijn wie ík ben! Ja! Ik ben he-le-maal goed zoals ik ben! Whoehoeoeoe…!’
En we lachen samen om haar prachtige uitgelaten rondedansje.

Dan staat ze weer even stil en kijkt ze naar de plek van haar zoontje. Heel even twijfelt ze toch nog weer..
‘Hij is nu ook vrij, zo voelt het...,’ zegt ze. ‘...Maar… ik weet niet… Moet ik hem niet in de gaten houden...?’
Ik glimlach en zeg: ‘Hij komt wel naar je toe. Als jij écht op jouw plek bent... als jij hier stáát, zoals je nu staat... dan wéét hij ook dat zijn mama daar ís... Dan weet hij waar hij naar toe kan gaan als er iets is.’
‘Ja…,’ zegt ze dan met een glimlach. Ik zie tranen van ontroering in haar ogen. ‘Dat klopt… Dat voel ik…’

Dan kijkt ze me opnieuw met glinsterende ogen aan.
‘Mag ik je een knuffel geven?’ vraagt ze.
‘Natuurlijk… graag!’ glimlach ik.
‘Wauw... even wennen hoor…,’ zegt ze zacht, terwijl we elkaar omhelzen. ‘Ik moet éven wennen aan dit vrije gevoel, haha.’ Dan laat ze me weer los en zegt ze: ‘Maar ik ben zó blij! Echt heel blij… dankjewél!!
‘Heel graag gedaan’, zeg ik, minstens net zo blij. ‘Jij ook bedankt voor deze prachtige reis samen!’

Later laat ze me weten dat ze duidelijk meer rust ervaart in het contact met haar ex-partner. Dat ze voor het eerst sinds héél lang een goed, rustig gesprek met hem had.
‘Zó fijn!’ zegt ze. ‘Ook voor ons zoontje! Ook bij hem merk ik meer ontspanning; hij gaat bijvoorbeeld gewoon spelen als zijn vader en ik samen kletsen. Dat deed hij eerder niet.
Soms komt het kleine, onzekere meisje in mij nog wel even tevoorschijn, hoor... Maar dan doe ik de oefeningen die ik ook vaak doe met jou en dan kom ik steeds weer tot rust.’

Prachtig, prachtig vind ik dit. Werkelijk waar.
Hier gaat mijn hart van dansen. Van blijdschap en van dankbaarheid.
Ja, wauw. Om dit wondermoois samen te mogen beleven.

🌿❤🌿

~ Babette
www.dekunstvanhetgroeien.nl









❤️

‘Ik mis mijn moeder,’ zegt ze. Ze heeft tranen in haar ogen. ‘Ja... ik mis haar meer dan ooit, terwijl ik haar bijna ied...
19/11/2025

‘Ik mis mijn moeder,’ zegt ze. Ze heeft tranen in haar ogen. ‘Ja... ik mis haar meer dan ooit, terwijl ik haar bijna iedere dag zie...’

Voor mij zit een vrouw van in de vijftig. Eerder al deden we samen een individuele familieopstelling.

‘De familieopstelling heeft me zo veel geholpen,’ zegt ze. ‘Zo fijn! Ik durf veel meer mezélf te zijn merk ik. Niet alleen met mijn ouders en mijn zussen, maar ook naar mijn partner en op mijn werk.
Met mijn vader voel ik dat er ander contact is, sinds de familieopstelling. Vooral doordat er iets in mij is veranderd. Dat ik hem meer begrijp… Ja. Er is nu een contact met hem op een ándere laag of zo… een contact dat er gewoon ís, zonder dat er iets anders hoeft. En dat voelt heel fijn en rustig.
Maar met mijn moeder voelt het anders. Met mijn moeder knaagt er nog iets in mij…’

‘Hoe voelt het voor jou,’ vraag ik, ‘als je nú aan je moeder denkt?’

Ze kijkt door het raam naar buiten en bijt op haar lip. Ik zie hoe ze haar tranen tegenhoudt. ‘Ze verdwijnt, zo lijkt het…,’ zegt ze dan zacht. Ze zucht. Nu rolt er een traan over haar wang en ze veegt hem snel weg. Dan kijkt ze me aan en ze knikt langzaam. ‘Ja… het voelt alsof mijn moeder de laatste tijd meer en meer uit mijn leven verdwijnt…’ Ze zucht nogmaals diep en ze slikt haar tranen weg. ‘En dat vind ik heel erg,’ zegt ze. ‘Ik wil zo graag verbinding met haar voelen. Net zoals ik nu met mijn vader voel. Maar in plaats daarvan lijk ik nu het contact met haar helemaal te verliezen. Maar ik wíl me gewoon ook niet meer aanpassen aan haar, zoals vroeger…! Maar zij doet óók geen moeite… Hoe moet dat nu verder?’

We besluiten samen te onderzoeken.

‘Is het oké voor je om je ogen even te sluiten?’ vraag ik.
Ze sluit haar ogen, schikt de kussens en gaat wat comfortabeler zitten, haar voeten plat op de grond.
Ik doe hetzelfde en we ademen samen een paar keer diep in en uit.
Dan zitten we even in stilte, zodat we allebei de tijd hebben om echt even van buiten naar binnen te schakelen.

Wanneer de energie helemaal stil voelt, open ik mijn ogen. Zij houdt ze gesloten.

‘Als je nog eens herhaalt’, vraag ik haar zacht, ‘Mijn moeder verdwijnt, ze wordt vager en vager… is er dan iets dat je opmerkt in je lijf?’
Ze herhaalt de woorden nog eens hardop en voelt. ‘Het voelt eh… leeg of zo…,’ zegt ze.
‘Leeg als iets dat je niet kúnt voelen?’ vraag ik.
‘Ja,’ knikt ze.
‘En als je het nog eens zegt?’
Ze herhaalt mijn woorden nog eens, langzamer.
‘Nu bevriest mijn hele lijf…,’ zegt ze. ‘En ik voel iets in mijn keel… iets onrustigs…’ Haar stem klinkt schor.
‘Dat bevriezen… en het gevoel in je keel…,’ vraag ik. ‘Is dat een gevoel dat je kent?’
‘Ja. Heel goed,’ zegt ze beslist.
‘Ken je het van nu, of vanuit je opgroeien?’ vraag ik.
‘Van vroeger ken ik het ook…’ zegt ze, nu iets zachter. ‘Van toen ik kind was.’
‘Zie je er ook een beeld bij, van toen?’ vraag ik.
‘Ja,’ zegt ze. ‘Ik zie mezelf voor me, als meisje.’
‘Hoe oud was je daar ongeveer?’
‘Acht, denk ik…’
‘En zie je er ook een omgeving bij?’
‘Ja. Ik ben buiten. Voor de deur van ons huis. Ik zit op de stoep.’
‘Zijn er nog meer mensen bij je?’ vraag ik.
‘Nee, ik ben alleen…’
‘Weet je ook waar je mama is?’
‘Nee,’ zegt ze zacht. Haar stem trilt een beetje nu.

‘Hoe voelt je lijf nu?’ vraag ik.
Ik zie hoe haar gezicht wit is geworden. Ze perst haar lippen op elkaar en houdt haar adem in. ‘Nu voel ik verdriet opkomen…’ zegt ze dan. En er rolt een traan over haar wang.
‘Voel maar…,’ moedig ik haar zacht aan. ‘Voel maar…’
Ik zie hoe ze iets meer gaat ademen wanneer ik met haar mee-adem, en dan beginnen de tranen langzaam over haar wangen te rollen.
‘Voel maar…,’ zeg ik nog eens zacht. ‘Kijk maar of je het nieuwsgierig op kunt merken… het verstijven in je lijf… je gevoel van verdriet… je tranen…’
En ze laat haar tranen nu helemaal gaan.
Ik ben bij haar en we zijn stil, zodat ze even helemaal kan voelen.
Er komen meer en meer tranen. Op een hele stille manier, alsof ze vanzelf tevoorschijn komen en aan een stuk door over haar wangen stromen. Af en toe is er een korte snik tussendoor.
Ik adem, ik voel met haar mee, een tijd lang, in stilte. Net zo lang tot haar tranen, ook weer vanzelf, stoppen met stromen.
Dan zucht ze diep.

‘Zou het kunnen…,’ vraag ik dan, ‘dat dit een gevoel is… leeg… je lijf bevroren… dit verdriet… dat dit een gevoel is dat je al veel langer kent? …Misschien al wel je hele leven?’
Het komt ineens in me op.
‘Ja.’ zegt ze. Haar stem klinkt weer helemaal rustig nu. ‘Zo voelt het wél…!’
‘Weet je iets over je geboorte?’ vraag ik dan. ‘Wat er gebeurde, toen, hoe het ging? Hoe was het met je moeder? En met jou?’
‘Ik werd samen met mijn zus geboren,’ zegt ze zacht en rustig. ‘Ik ben een tweeling…’
Het voelt alsof ze daar nu helemaal is, bij het begin van haar leven. Alsof ze mij nu mee neemt in haar film.
‘Ik ben geboren in het ziekenhuis,’ gaat ze verder. ‘Het ging wel goed… op de natuurlijke manier… ik eerst en toen mijn zus.’
Dan is ze even stil. Ik voel hoe de energie verandert.
‘Maar daarna moesten we allebei in de couveuse,’ zegt ze dan. Haar woorden klinken meer kort achter elkaar nu. En haar stem klinkt onrustig. Alsof er een plotselinge wending in het net nog zo rustig kabbelende verhaaltje komt en ze zelf een beetje schrikt van het beeld dat ze nu voor zich ziet.

‘Hoe voelt je lijf nu?’ vraag ik.
‘Leeg…,’ zegt ze. ‘Ja… leeg! Het is… Jeetje, het is precies dezelfde leegte als die ik net voelde…!’
‘Hm,’ zeg ik. ‘Voel maar…’
Ze voelt even stil en dan vraag ik: ‘Hoe was het met je moeder? Weet je hoe het met haar ging toen jullie geboren waren? Hoe was het met haar gezondheid?’
Ze fronst haar wenkbrauwen bedenkelijk. ‘Wel goed geloof ik…,’ zegt ze.
‘En weet je misschien hoe het voor haar was, dat jullie in de couveuse moesten?’
‘Ik weet het eigenlijk niet….’ zegt ze zacht.

‘Hoe voelt je lijf nu?’ vraag ik.
‘Nog steeds die leegte…,’ zegt ze. ‘En koud… Heel koud… Van binnen uit… Ja, heel gek… ik voel kou van bínnen uit…’
‘Kun je jezelf voor je zien als baby?’ vraag ik.
‘Ja…,’ zegt ze. ‘Ik lig in de couveuse, in zo’n plastic ding… Alleen. En er zijn allemaal vreemde mensen om me heen. Allemaal slangetjes en piepjes…’
‘Hoe voelt het, als je nu in je lijf voelt… Terwijl je jezelf voor je ziet… Alleen in dat plastic bedje… zonder je zus, zonder je mama…?’
‘Heel erg koud…,’ zegt ze. Haar stem trilt en ze wrijft over haar armen. ‘Heel naar… Mijn hele lijf verstijft!’
‘Voel maar…,’ zeg ik zachtjes. ‘Kijk maar of je het nieuwsgierig op kunt merken… hoe koud… hoe leeg… hoe stijf… Voel maar…’
Ze voelt en ik ben bij haar en ik voel met haar mee.
En opnieuw stromen de tranen over haar wangen.
‘Voel maar…,’ zeg ik nog een keer zacht. ‘Voel maar, je lijf… Voel maar, je verdriet… Voel maar, wát er ook is...’
Ik ben bij haar en laat haar helemaal voelen.
En haar tranen stromen, als een waterval. Maar het voelt heel kalm, haar lijf en haar gezicht blijven stil en ze ademt rustig door.
Het is als een golf; het duurt ongeveer een kleine minuut en dan wordt het opnieuw helemaal stil in de energie.

Ineens richt ze haar lijf iets op en ze houdt haar hoofd een beetje schuin.
‘Het is alsof… het voelt alsof ik… Ja…
Het voelt alsof ik ze aan het zoeken ben!’ zegt ze.
‘Wie zoek je?’ vraag ik.
‘Mijn mama en mijn zusje… ze zijn weg…!’ Er klinkt een beetje paniek in haar stem. ‘Ik weet niet waar ze zijn…!’ zegt ze.
Ik voel een golf van kippenvel over mijn lichaam heen gaan, alsof er een langzame bries over me heen waait, van mijn kruin naar mijn tenen.
Ze slikt en ademt sneller.
‘Kan het zijn…,’ fluister ik dan, ‘dat jouw hart… Dat jouw hart aan het zoeken is… naar het hart van je mama en dat van je zusje…?’
‘Jaa…’ fluistert ze terug. Ze slikt opnieuw. ‘Ja… dát zoek ik… het was in de buik al die tijd bij me… dat fijne geluid… het kloppende hart van mijn zusje en van mijn moeder… En nu is het weg…!’
Opnieuw komt er een golf van tranen. Van schone, stille tranen.
‘Voel maar…, voel maar…’ moedig ik haar zacht aan.
‘Ik voel mijn zusje en mijn mama niet…,’ fluistert ze. En nog meer tranen stromen. Golven van een groot gemis van een kleine minuut lang. ‘Ik voel mijn mama niet… Ik voel mijn mama niet… Waar is mijn mama…?’
En ik ben bij haar en ik laat haar helemaal voelen.
Net zo lang tot haar tranen weer stoppen.
Dan volgt er een hele diepe zucht.

Ik zie hoe haar gezicht, dat net nog wit en rood bevlekt was, nu langzaam weer een zachtroze kleur krijgt. Alsof er een wisseling heeft plaatsgevonden naar een totaal andere, veel meer ontspannen energie en haar gezicht dat nu, blozend, weer volledige rust uitstraalt.

‘Stel…,’ zeg ik dan zacht. ‘Kun je je nu voorstellen, dat jij, als volwassene van nu, die ziekenhuiskamer in stapt?’
Ze knikt. En meteen verschijnt er een hele liefdevolle glimlach op haar gezicht. Een prachtige vertederende blik.
‘Zie je het nu voor je?’ vraag ik.
‘Ja…’ fluistert ze. ‘Ik kijk naar mezelf… naar dat práchtige babietje dat daar in de couveuse ligt…’
‘Hmmm,’ zeg ik.
‘En is er dan iets dat je zou willen doen, naar dat mooie lieve babietje?’
‘Haar oppakken en tegen me aan houden,’ zegt ze meteen. Haar stem klinkt krachtig, maar heel warm.
‘Doe maar…, stel je dat maar voor…,’ zeg ik. ‘En voel maar, in je lijf… hoe dat voelt...’
En we zijn even stil, zodat ze helemaal kan voelen in haar lijf hoe het voelt om dat prachtige, pure babietje tegen zich aan te houden.
‘Hoe reageert de baby nu?’ vraag ik.
‘Ze was eerst heel erg overstuur,’ fluistert ze, ‘toen ik binnen kwam. Maar nu wordt ze steeds rustiger.’
Wauw. Het is alsof we samen werkelijk in die ziekenhuiskamer zijn, de warme liefdesenergie… Dat pure… Dat zo serene, bijzondere van het wonder dat een pasgeboren baby is, zo voelbaar.
‘Voel maar…,’ fluister ik.
Oh, die prachtige rust en die glimlach van een en al liefde op haar gezicht. Het ziet er werkelijk prachtig uit.

‘Hoe voelt je lijf nu?’ vraag ik naar een tijdje.
‘Heel rustig…’ zegt ze.

‘Stel…,’ vraag ik dan, ‘je neemt je baby, jou zelf als baby… mee. Uit die ziekenhuiskamer, naar een plek in het nu die jij fijn vindt. Dat kan je huis zijn, of het kan ergens anders zijn…
Hoe is dat?’
‘Ja, fijn…!’ zegt ze meteen.
‘Waar neem je haar mee naar toe?’ vraag ik.
‘Naar mijn huis,’ zegt ze.
‘Wat doe jij? En waar is de baby? Wat zie je?’ vraag ik.
‘We zitten op de bank en ik hou haar vast, dicht tegen me aan. Ze heeft haar hoofdje tegen mijn borst gelegd.’

Het klinkt heel mooi. Maar ik zie aan haar lijf en ik voel in de energie dat er weer iets meer spanning is.
‘Hoe voelt dat voor jou?’ vraag ik.
Opnieuw komen er tranen.
‘Ik vind het zo verdrietig voor haar…,’ zegt ze. ‘Zo zonder haar mama en haar zusje…’
‘Hm… dat begrijp ik,’ zegt ik. ‘Het ís ook verdrietig…
Is het misschien een idee om dat tegen haar te zeggen? Dat je het verdrietig voor haar vindt?’
’Ik vind het heel verdrietig voor je,’ herhaalt ze zachtjes mijn woorden, terwijl de tranen nog even stromen. Kort, weer als een golf.

En dan is het weer stil. Ik voel hoe de energie wel wat rustiger is geworden. Maar toch… het voelt alsof het nog niet klaar is. Alsof ze nog iets inhoudt wat er nu wél uit wil.

‘Hoe is het voor je,’ vraag ik dan, ‘om tegen dat babietje te zeggen: ‘Je mist je mama hè?’
‘Je mist je mama hè?’ zegt ze zacht. Haar stem klinkt liefdevol en warm, maar ik zie hoe ze zichzelf sterk houdt, hoe ze nog iets van verdriet wegslikt.
‘Vind je het verdrietig voor haar dat ze haar mama moet missen?’
‘Ja!’ zegt ze. ‘Dat vind ik heel erg…’ Ik hoor een trilling in haar stem.
‘Hoe is het met de baby?’ vraag ik.
‘Ze ligt in mijn armen… wel rustig eigenlijk…’ zegt ze.
‘Hoe is het nu voor je om tegen haar te zeggen,’ vraag ik dan, ‘ik vind het heel verdrietig voor je dat je je mama moet missen…’
Ze herhaalt zacht mijn woorden.
‘Hoe is het nu?’ vraag ik.
‘Wel goed…,’ zegt ze.

Ik heb nog steeds het gevoel dat het nog niet helemaal volledig is. Alsof er nog ‘iets zit’.

En ik probeer uit:
‘Hoe is het voor je,’ vraag ik, ‘om tegen het babietje in je armen te zeggen:
‘Ik weet het… ik weet het… Je mist je mama hè? …Ik vind het heel verdrietig voor je.’
Ze herhaalt mijn woorden. Ik zie haar opnieuw slikken.
‘Voel maar…’ zeg ik.
Ik voel haar verdriet zo duidelijk, maar er komen geen tranen.
‘Ik vind het heel verdrietig voor je dat je je mama moet missen…,’ zeg ik nog eens, en zij herhaalt steeds mijn woorden. We zijn weer even stil. ‘...Maar weet je?’ zeg ik dan, en zij herhaalt. ‘…Jouw mama’s hart is verbonden met jouw hart… Ze is je máma… Jij hebt in haar buik gezeten… je bent door haar heen op aarde gekomen… En jouw hart is verbonden met het hart van je mama…’
Ik spreek de woorden heel langzaam en met pauzes uit, terwijl ik blijf voelen. En ze herhaalt mijn woorden rustig. En ik voel nog steeds haar verdriet, zonder dat ze het uit.
‘Kun je de baby aankijken?’ vraag ik.
‘Ja…,’ zegt ze.
‘Hoe is het nu voor je…,’ zeg ik dan zacht en langzaam, ‘om tegen haar te zeggen: Voel maar… het hart van je mama… Onder ál die lagen van verdriet en zorgen en álles wat jij voelt en ziet bij je mama, wat je mérkt bij je mama… daar is haar hart… En haar hart is als vanzelf verbonden met jouw hart…’
Ze herhaalt mijn woorden en dan zijn we weer even stil.
Het is stil. Heel stil.
En nog steeds heb ik het gevoel dat er een ontlading wil komen die ze tegenhoudt.
‘Kijk maar naar het babietje en vertel haar maar,’ ga ik rustig verder, ‘Je mérkt het misschien niet… Maar het ís er wel… Jouw mama’s hart verbonden met jouw hart…’ Ze herhaalt mijn woorden, haar stem klinkt oprecht.
En dan voel ik ineens hoe er langzaam iets verandert in de energie. Ik zie het ook aan haar gezicht dat trilt en hoe ze steeds minder ontspannen in haar stoel zit. Het voelt alsof het ieder moment kan gaan stormen.
‘Hou je babietje maar vast,’ ga ik rustig verder. ‘En zeg haar maar: Je merkt het misschien niet, lieverd… maar het ís er wel… voel maar… haar hart verbonden met het jouwe… Zij is je máma… het kán niet anders… Voel maar… haar hart is verbonden met het jouwe… het ís er… verbonden… Voel maar… het is er wél… áltijd…’

Dan zijn we weer even stil.
Het voelt alsof de vulkaan nu ieder moment uit kan barsten.
Plotseling zie ik haar wat verschuiven op haar stoel.
‘Hoe is het nu, wat ervaar je nu?’ vraag ik.
Ze gaat stijf rechtop zitten, haar wenkbrauwen gefronst, haar schouders opgetrokken, haar vuisten gebald.
‘Ja!’ zegt ze boos, ‘... Ik weet niet hoor… Ik heb zoiets van: moet IK nu mijn moeder haar hart voelen…?! Dat héb ik juist al die tijd al geprobeerd! Mijn hele léven al! …Maar ik kreeg nooit een antwoord…!’ Ik hoor hoe haar adem hoog is en ik zie haar gezicht gespannen en rood van kleur. ‘Dat kán toch niet?!,’ roept ze. Nu begint haar stem te trillen. ‘Ze is toch mijn móeder? Dat hoort mijn moeder toch naar míj te doen?! …ZIJ naar MIJ…?!’

Ze heeft haar ogen nog steeds gesloten. Ze schuift weer iets naar achteren in haar stoel en ze ademt snel, haar lippen stijf op elkaar. Ik zie hoe ze haar voeten iets opgetrokken heeft nu en haar vuisten liggen gebald in haar schoot.

‘Hoe is het nu met de baby in je armen?’ vraag ik.
‘Ze is heel boos!’ zegt ze. Tegelijk met haar woorden ademt ze flink uit.
‘Ik heb hier een hele boze baby op mijn schoot!’ zegt ze. En ze moet een beetje lachen nu.
‘Ja. Jaa…!’ zeg ik zacht en rustig. ‘Zo begrijpelijk… Dat dat kleine meisje boos is… Misschien kun je haar dat zeggen? Zeg haar maar… Het is oké… Ik ben bij je. Je bent heel boos hè? Het is oké… ik ben bij je…!’ Ze herhaalt mijn woorden, zacht en liefdevol.
‘Zeg haar maar,’ zeg ik dan, ‘dat je het je voor kunt stellen hóe pijnlijk het kan voelen, dat grote, gróte verlangen naar je mama… en dat daar geen antwoord op komt… Hoe groot jouw verlangen… En dat daar nooit een antwoord op zal komen…’
Nu rollen er wat tranen over haar wangen.
‘Voel maar…,’ moedig ik haar weer zacht aan. ‘Voel maar… hoe groot jouw onbeantwoorde verlangen… naar je mama…’

En eindelijk… eindelijk komt nu de grote ontlading.
Ze huilt. Hartverscheurend, met grote halen en grote snikken tussendoor. Ze huilt werkelijk als een klein meisje met een ongelooflijk pijnlijk hart. Een klein, hulpeloos meisje dat haar mama heel erg mist. Haar grote onbeantwoorde verlangen.

En ook deze enorme, intense golf van verdriet duurt nog geen minuut.

En dan is het opnieuw weer helemaal stil.
Echt helemaal stil nu. Alsof er even niets anders is dan dat. Ja. Alsof de hele kamer nu gevuld is met niets anders dan alleen deze stilte en deze intense vrede.

Dan volgt er een hele diepe zucht. Opluchting.
‘Pffff…,’ ademt ze helemaal uit, terwijl ze zich achterover laat vallen in de stoel. Nog steeds heeft ze haar ogen gesloten. Zo ligt ze even helemaal stil. Ik zie hoe haar lijf nu echt helemaal ontspannen is, haar adem rustig en hoe haar gezicht er weer helemaal blozend roze en zacht uit ziet.
Ja, ik zie en ik vóel gewoon haar volledige vrede nu.

‘Als je zo ver bent…,’ zeg ik dan, ‘mag je je ogen weer openen.’

En ze opent haar ogen weer.
Ze knippert even een paar keer met haar ogen. En dan kijkt ze me stralend aan. Haar ogen helder stralend, vol verwondering en vreugde tegelijk. Ze lacht breeduit.
‘Wow…,’ zegt ze. ‘Wát een reis!’
Ik glimlach terug. ‘Hoe is het nu?’ vraag ik.
Nu zie ik tranen van ontroering in haar ogen.
‘Jeetje…,’ zegt ze. ‘Ik wist het niet… Wát wonderlijk… Maar dit ís het… Ja, jeetje… hier had ik nog nooit bij stil gestaan… Toen ik geboren werd… hoe dat voelde… Dáár komt het vandaan dat ik geen verbinding met mijn moeder kon voelen! Ja, daar komt het écht vandaan! Jaaa, dít is het!’
En ze lacht en ze straalt en ik lach en straal terug. Wauw. Wát fijn!

‘En hoe voelt je lijf nu?’ vraag ik.
‘Oh héérlijk!’ zegt ze, stralend als de zon. ‘Helemaal ontspannen…’
Ze voelt nog even en dan zegt ze: ‘Het is alsof… Het is alsof ik het veel meer vóel. Ja! Alsof ik mezélf meer voel… Ja. Jaaa… Wauw… Ik voel nu… dat ik er bén… Ja, wauw… jeetje… Ik kan nu echt vóelen hoe het vóelt… dat ik er écht bén… dat ik écht bestá!’

Wauw… Opnieuw kippenvel all over.

‘En die baby,’ zegt ze tot slot met twinkelende ogen, en ik voel haar zo oprechte hartsenergie gewoon dánsen in de kamer, ‘die baby… dat lieve, mooie meisje… Ik hou haar lékker bij me voortaan! Húp, ín de draagzak, lékker op mijn buik.’ Ze moet hardop lachen nu, om haar eigen woorden. ‘Ja.’ zegt ze, en ze kijkt me met glinsterende ogen aan. En ze legt haar hand op haar hart en ze zegt: ‘Vanaf nu is ze bij mij, mijn baby...’

Oh, hoe ze straalt… ik zou er een foto van moeten maken, denk ik altijd op zo’n moment. Zó wondermooi dan.
Hoe krachtig ze straalt, hoe ongelooflijk vreugdevol, zó vól van liefde en zó vrij!

‘Wát prachtig!’ zeg ik. Ik voel hoe mijn hart ook straalt en even ontmoeten onze blikken elkaar in die zo zalig blije energie.

‘Echt hoor,’ zegt ze dan, vastbesloten, en klopt zachtjes met haar hand op haar hart. ‘Vanaf nu laat ik deze baby nooit meer alleen!’
En ze lacht en ze straalt, zo mooi.
‘Yesss…,’ zegt ze. ‘Ja, wauw…! Oh, wát een rijkdom! Vanaf nu ben ik nooit meer alleen!'

Wat wondermooi.
Dank je wel, mooie vrouw. Dat ik een stukje met je mee mocht reizen.
Ik wens je alle moois op je verdere pad.
En dank je wel ook, dat ik jouw mooie verhaal mocht delen. Ik weet zeker dat veel anderen er herkenning in zullen lezen.
Ja, ik wens dat jouw verhaal vele anderen mag inspireren.

Babette, 16 november 2023

❤️

Wil je ook onderzoeken?
Meer ontdekken wie je in werkelijkheid bent?

Je bent van harte welkom!

~ Babette
[email protected]
(PS: Er is een nieuwe website in de maak. Maar stuur gerust een mail)

🌿

Adres

Bessemoerstraat 41
Groningen
9741AK

Openingstijden

Maandag 09:00 - 18:00
Dinsdag 09:00 - 18:00
Woensdag 09:00 - 18:00
Donderdag 09:00 - 18:00
Vrijdag 09:00 - 18:00

Telefoon

+31620845949

Meldingen

Wees de eerste die het weet en laat ons u een e-mail sturen wanneer De Kunst van het Groeien nieuws en promoties plaatst. Uw e-mailadres wordt niet voor andere doeleinden gebruikt en u kunt zich op elk gewenst moment afmelden.

Contact

Stuur een bericht naar De Kunst van het Groeien:

Delen

Type